maandag 12 juni 2017

Hier zat John Crombez op te wachten

sp.a politica Ans Persoons is haar Brussels schepenmandaat kwijt, maar sp.a heeft zich duidelijk kunnen afzetten tegen de PS-cultuur. De PS-associatie ligt al decennia als een loden sluier over de partij. Een Brussels schepenmandaat verliezen is een koopje, in vergelijking met het punt dat werd gemaakt. Ik kan me perfect voorstellen dat John Crombez op een kans als deze zat te wachten.


Sinds de Agusta-affaire en alle latere schandalen worden socialisten in Vlaanderen en Wallonië als één pot nat gezien. Niet onterecht: ze stammen uit dezelfde cultuur en waren jarenlang elkaar regeringsgarantie. Wie met de hond slaapt, krijgt ook zijn vlooien. Dit is al jaren een zware handicap voor sp.a, maar werd afgewogen tegenover de voordelen van een zekere regeringsdeelname.


De regeringsgarantie was altijd een excuus om niet te hard voor de Franstalige socialisten te zijn: (internationale) solidariteit, begrijpt u? “En we voeren uiteindelijk toch dezelfde strijd?” Van een regeringsgarantie is al een paar jaren geen sprake meer en dat weet John Crombez: de associatie is schadelijker dan ze nuttig is. Hoewel hij vroeger al liet weten dat hij niet met de PS getrouwd is, was dat punt nog altijd niet duidelijk genoeg gemaakt.


Ik geloof dan ook dat de Samusocial-affaire voor Crombez als een godsgeschenk kwam. De beslissing om keet te schoppen bij het volgende schandaal was volgens mij al een tijdje geleden genomen. De kaarten lagen bijzonder goed: er was een sappig schandaal dat socialisten raakte tot in de kern van wie ze zijn én sp.a had zelf enkele protagonisten die opgeofferd konden worden. Zo positioneert sp.a zich onbaatzuchtig: principes boven postjes. Valt het niet op dat dit schandaal eerst door de groenen werd geclaimd, maar dat uiteindelijk sp.a met de pluimen gaat lopen? Hun schepen werd geofferd voor de zonden van de wereld. Niet scherp reageren zou opnieuw het schadelijke cliché van ‘socialisten één pot nat’ hebben bevestigd. Door wel te reageren werd een kostbaar punt gescoord.


Het is zelfs zover gekomen dat Open VLD-schepen Els Ampe de verdediging van de PS op zich neemt (“De PS heeft nooit voorgesteld dat Yvan Mayeur als schepen zou aanblijven.”). De liberale partij probeert nu hard te spinnen dat sp.a is weggelopen en haar verantwoordelijkheid niet heeft genomen, maar door dit manoeuvre worden zij eerder met een oude politieke (PS-)cultuur geassocieerd.


Men zou verwachten dat sp.a in het Brusselse gewest en de gemeenten nu niet veel steun meer moeten verwachten van de PS. Maar is dat wel zo? De Brusselse PS heeft vele kamers en er zijn genoeg PS-ers zijn die gewoon blij zijn met het vertrek van Mayeur. Ook minister-president Rudi Vervoort heeft Mayeur zachtjes naar de uitgang geduwd, en met hem moet Pascal Smet tenslotte samenwerken. 


Belangrijke vraag is nu wat sp.a met de herwonnen vrijheid gaat doen. In Brussel wordt de partij alleen maar aantrekkelijker voor Nederlandstaligen (en zelfs anderstaligen) als ze niet meer automatisch met de PS wordt geassocieerd. Het kan het momentum zijn om zelf de spil te worden van een bredere, meertalige stadsbeweging. In Vlaanderen wordt al her en der geëxperimenteerd met samenwerkingen met andere progressieven en staat heel wat op stapel, onder andere in Antwerpen. Het lijkt aannemelijk dat de Almaci’s van deze wereld het publiekelijk afwijzen van de PS-cultuur door sp.a binnenskamers als een bemoedigend signaal zien.



Kortom: Crombez heeft een sterk punt gescoord, dat de weg vrijmaakt voor initiatieven die de Brusselse politiek ver overstijgen. Al bij al heeft deze zet sp.a potentieel zoveel meer opgebracht dan dat het de partij heeft gekost. Alleen jammer voor Ans Persoons.

woensdag 23 december 2015

Ik ben absoluut voor nuance

De Vaticaanse krant L'Osservatore Romano vindt de slechteriken in de nieuwe Star Wars film niet kwaadaardig genoeg. Je vraagt je af waarom. Enfin, ik toch.

Heeft het misschien te maken met de manier waarop het christendom met het absolute omgaat? Dingen zijn goed of slecht en niet iets er tussenin. Binair. Zwart-wit. God is almachtig en de paus is onfeilbaar. Het christendom is een monotheïstische godsdienst die niet gelooft dat de duivel als verpersoonlijking van het slechte op gelijke voet strijdt met god. God is supergod en zal dus altijd winnen, maar de goedheid van god is toch net dat tikkeltje sprankelender als je vijand écht slecht is. Nee? Ze komt er toch beter uit en kan haar gratie toch een stuk sexyer etaleren als de tegenstrever een echte mean son of a bitch is.

Punt is natuurlijk dat dit een erg beperkte interpretatie van de werkelijkheid is. Meestal zijn de dingen niet écht volledig slecht. En dus ook niet écht volledig goed, met uitzondering natuurlijk van cake met veel boter. De dingen zijn niet zwart-wit, de kleuren zwart en wit niet te na gesproken.

Het is voor overheden, godsdiensten en andere altijd handiger om de tegenstrever van dienst ‘absoluut’ te maken. Het maakt het zoveel duidelijker en enthousiasmeert beter in de strijd. Met alle gevolgen van dien: aanhangers van nationaliteiten, godsdiensten en andere storten zich met net dat tikkeltje meer enthousiasme op de vijand als ze er van overtuigd zijn dat deze absoluut slecht is. Er wordt niet gevraagd begrip te hebben, want er is geen ruimte voor nuance in het absolute.

Ook in de populaire cultuur is de binaire voorstelling van goed en kwaad alomtegenwoordig, hoewel ik tegenwoordig de indruk heb dat ook daar vaak wordt gewerkt aan de gelaagdheid van de bad guys and girls. Dit lijkt me een goede evolutie, die alleen maar kan leiden tot meer begrip voor gelijk welke ‘andere’. En zo komen we misschien toch nog tot vrede op aarde aan alle mensen van goede wil. 

donderdag 27 augustus 2015

Sociale strijd van Pellizza tot Vanfleteren, van Milaan tot Clabecq

Ik wil graag iets met u delen. Het is geen groot inzicht of zo, maar een simpele vergelijking tussen twee kunstwerken. Het gaat om een foto van Stephan Vanfleteren en een schilderij van Giuseppe Pellizza da Volpedo.

We waren in Milaan en dronken extreem lekkere cocktails in het restaurant van het Museo del Novecento, een gebouw dat door Mussolini werd gebouwd en nu een belangrijke collectie moderne kunst huisvest, maar dus ook Il Quarto Stato van Pellizza uit 1901.



De vierde staat (stand?) verwijst naar het proletariaat naast de clerus, de adel en de burgerij. De vierde stand staat op en doet dat gedecideerd, maar rustig. Ze zijn verontwaardigd, ongewapend, maar er borrelt zeker ook boosheid. Ik vind dat het rust uitstraalt, maar toch barst van de energie. De man vooraan is the boss. Geen idee wie hij is, maar hij straalt natuurlijk leiderschap uit. Hij is ook net wat fancier gekleed dan de achterhoede. Hij is de redelijkheid die het gaat oplossen en de troepen in toom kan houden. Het is de man waar mee gepraat kan worden die tegelijk een teken van hoop op een betere toekomst is.

Ik kende het beeld uit mijn lang vervlogen tijd als zeer actieve militant in het internationaal socialisme. Het beeld is iconisch en wordt dan ook vaak gebruikt op pamfletten en posters van zowel de Italiaanse socialistische beweging als internationale organisaties. Het geeft leiding. Het toont de verontwaardigde massa niet als bruten, vandalen of onverlaten, maar als erg redelijke mensen die niet eerst slaan en dan pas praten.

Het werk kende geen succes toen het in het begin van de twintigste eeuw werd tentoongesteld. Niet echt verwonderlijk: de kunstverzamelaars van toen wilden geen schilderijen van redelijke arbeiders die redelijk betogen tegen de omstandigheden die hen rijk maken. Pellizza pleegde zelfmoord in 1907, waarschijnlijk uit frustratie wegens het uitblijven van artistiek succes.

Ik was het werk dus vergeten tot ik het vorige week opnieuw zag, maar dacht nu onmiddellijk aan een bekende foto van Stephan Vanfleteren. De foto is voor mij even iconisch als het werk van Pellizza en ik raakte geïntrigeerd door de gelijkenissen, maar ook door de verschillen. Het lijkt me dat deze iets zeggen over sociale strijd vandaag en vorige eeuw.


Het is een beeld van een protestactie tegen de sluiting van les Forges de Clabecq (staalovens), halverwege de jaren ‘90 van vorige eeuw. De sluiting is een exponent van het harde verhaal van de neergang van de oude industrie in Wallonië, van vakbonden die protesteren tegen kapitaal, tegen overheid en uiteindelijk zelfs tegen zichzelf.

Centraal op het beeld zie je een jonge man rustig in de camera kijken. De syndicale strijd rond Forges de Clabecq was bijwijlen bloedig en rumoerig, maar daar zie je op deze foto eigenlijk niets van. De sociale strijd in Italië in het begin van de 20ste eeuw zal ook wel gewelddadiger geweest zijn dan het schilderij laat uitschijnen en dat doet deze foto dus ook. Toont dat het engagement van Vanfleteren, die net als Pellizza sympathiseert met de arbeiders? Het lijkt alsof Walter (want zo heet de jongeman) en de andere deelnemers aan de mars niet boos of agressief zijn. Ze blijven rustig, ondanks het onrecht dat hen is aangedaan. Maar zijn ze net zo redelijk als de figuren op het schilderij van Pellizza, of zijn ze uitgeblust?

In vergelijking met Il Quarto Stato is dit plaatje veel somberder. In Italië schijnt de zon, maar deze foto ademt somberheid. Ik vind het werk van Pellizza optimistischer. Zijn de arbeiders van Forges de Clabecq de lange strijd beu, die eigenlijk al duurt sinds 1901? Ze staan niet meer aan het begin van een verhaal van het strijden voor meer sociale rechten in een opkomende industrie, maar vechten voor het behoud van rechten in een industriële context van het verleden. Dat is een andere dynamiek en dat merk je aan beide beelden.

Walter zegt dat de sociale strijd universeel is, net als het opkomen tegen onrecht. Terecht natuurlijk. Mensen die samenwerken zullen altijd het verschil kunnen maken, maar de context verandert. De dynamiek die van de groep mensen uitgaat, is anders en er worden vandaag meer vragen gesteld bij de effectiviteit van klassieke vakbonden. Is de hoop van het begin van de 20Ste eeuw vandaag verworden tot wanhoop? Leidden de manifestaties van toen niet tot meer rechten, terwijl acties nu niet altijd kunnen tegenhouden dat op die rechten wordt beknibbeld?

Mij lijkt die evolutie vervat in beide beelden. En zo kom ik alsnog tot een groot inzicht.

woensdag 26 augustus 2015

Afspraak met een mening

“Wat vind je eigenlijk van De Afspraak?”, vroeg een vriendin me. Teveel sport natuurlijk. Als ik sport wil, dan jog ik wel naar de keuken.

Het goede aan het programma is dat er tijd wordt gemaakt. Tijd voor reportages en gesprekken, als rustpunt in deze vluchtige tijden. Mijn belangrijkste opmerking bij het programma is echter dat de tijd die voor de gesprekken wordt vrijgemaakt, niet wordt gebruikt voor visie en ideologie. De gesprekken nemen de tijd om uit te leggen wat er gebeurd is, maar niet om een mening op basis van een visie over wat er gebeurt te verkondigen. Ze graven niet naar wat diep borrelt, maar beschrijven uitgebreid wat aan de oppervlakte te zien is. Rob Wijnberg van De Correspondent schreef een interessant stuk over diezogenaamde neutraliteit (depolitisering). Hij zegt dat verslaggeving zich vaak beperkt tot het bespreken van het spelletje en niet van wat er op het spel staat (quote Jesse Frederik). Erg goede reportages over Schengen en de Hongaarse muur leggen uit wat er gebeurt, maar hebben het niet over ideologie. Ze duiden wel, maar leiden niet op tot een inhoudelijk debat.

Eigenlijk is dat curieus in een tijd dat het hebben van meningen eigenlijk gedemocratiseerd is. Iedere hond met een hoed op (Ik ook! Bedankt om hetwatenwaarom.blogspot.com te lezen!) heeft er tegenwoordig wel een en verkondigt die mening dan ook lustig op Facebook, Twitter en als commentaar bij nieuwswebsites. Het probleem met deze gedemocratiseerde uitingen is dat ze veelal het oppervlakkig-vluchtige niet overstijgen (Geweldige reportage van @deafspraak over #stommemuur #vluchtelingen) en niet altijd het goede medium zijn om grondig een punt te maken. Begrijp me niet verkeerd. Ik hou erg van Twitter en vind het een perfect kanaal om inspiratie op te doen. Diepe inzichten krijg ik er meestal niet, maar het geeft me wel de mogelijkheid om door te klikken naar blogs of opinies op andere media die wel dieper graven. In dat opzicht is Twitter een perfecte filter naar inzichten.

Dat kan net de sterkte van De Afspraak zijn. Het kan meningen filteren en er meer ruimte aan geven. Het kan de klik achter de korte tweet zijn die dieper ingaat op waarom Amerikanen uit de lagere klassen zich verwant voelen voor een brulboei die hun leven niet beter gaat maken in plaats van uitgebreid te beschrijven dat ze het doen. Het kan het hebben over waarom jongeren radicaliseren, meer nog dan te praten over hoe die radicalisering wordt aangepakt.

Kortom, geweldig programma met veel potentieel als het beschrijvende wordt overstegen. Anders ga ik liever gewoon joggen.

woensdag 12 augustus 2015

Een flesje troost is okay

Ik raakte een tijdje geleden geïntrigeerd door een reclame die ik zag op de Nederlandse televisie. Het gaat om reclame voor Brand (een bier uit de Heineken-stal) en het spotje heet ‘De eerste slok’. Het is geniaal. Het leert je dat het okay is om als eenzame man verslaafd te zijn aan alcohol en dat je best alleen mag drinken.

Het gaat als volgt.
Een man komt zijn keuken binnengelopen, draagt een bak bier en een oud aktetasje. Ploft de bak routineus op het aanrecht naast de koelkast en vist er een aantal flesjes uit die hij op een schap in de koelkast ter koeling bergt. 1 flesje echter is uitverkoren. Plots schijnt de zon in het gezicht van de man die opeens ook een zuinige glimlach krijgt wanneer hij naar het flesje kijkt alvorens het in het vriesvak te leggen. Terwijl hij het flesje wegbergt, blijft zijn blik er op gericht. Hij sluit het vriesvak, gaat ruim een meter voor de koelkast staan en zonder zijn ogen van het vriesvak af te houden doet ie z’n trenchcoat uit en gooit die over een stoel.
 
De volgende 45 seconden (I kid you not, 45 seconden) zie je hem met lege, helblauwe ogen voor het vriesvak smachten. Hij lijkt niet meer te denken, gehypnotiseerd. Een blik in het vriesvak toont dat het flesje versneld bevriest (Hoe lang duren die 45 seconden in werkelijkheid wel niet?). Al die tijd blijft hij wachten. Flesopener bengelend aan zijn vinger twijfelt hij even of het al tijd is om het vriesvak te openen. Je ziet hem in de reflectie van de vriesvakdeur twijfelend-smachtend reiken naar het handvat.
Dan kan het plots. Nu gaat alles snel. Gedecideerd opent hij de deur, neemt het flesje en een glas. Hij laat wat water uit het glas lopen dat zich waarschijnlijk op het aanrecht bevond wegens wel afgewassen (of afgespoeld) maar niet afgedroogd. De kalkaanslag is zichtbaar. Plots is het glas gevuld, en dan - dit heeft hij al zo vaak gedaan, maar er is nog steeds een kick - … zet hij het glas aan zijn lippen en drinkt. De eerste slok. De achtergrond is leeg en grijs. Er is enkel de man en zijn bier. Hij is lichtjes zonnig belicht waardoor je zijn vermoeide gelaat duidelijk ziet. Hij slokt een kwart van de pint weg en hij is gelukkig. Hier deed hij het voor. Er is verder niets.

De elementen
De man: Vijvenveertig ongeveer, triest gezicht, ongeschoren, voorhoofdskaalheid, goedkoop pak, een oude Burberry trenchcoat en een oud aktetasje. Een ambtenaar die al erg lang in hetzelfde uitzichtloze baantje zit vastgeroest en nog steeds de kleren draagt van toen zijn vrouw nog bij hem woonde?
De keuken: Niet echt levendig en ongezellig, erg lelijke keukentafel met basic klapstoelen, vaag wat speelgoed op de keukentafel. Naast de koelkast staat een goedkope Ikea-achtige tweezits met zo’n lelijke gebreide kussens. Papa woont nog in het huis, maar mama is met de kinderen (en de mooie keukentafel) vertrokken? De kinderen komen nog wel in het weekend, maar maken het huis niet echt doorleeft.
De koelkast: De binnendeur van de koelkast ziet er nogal leeg uit. Misschien vaag een doos eieren en een bruindoorzichtig potje waarvan de inhoud zijn moment de gloire al een tijdje heeft gehad. Of nooit heeft gehad.
Het vriesvak: Alleen maar ijsblokjes die er duidelijk al een tijdje staan (dat zie je aan de rijm) en daaronder iets vaags onbestemd. Het vriesvak moet dringend worden ontdooid.


De analyse

Volgens mij: Ocharme de vent. Zijn vrouw is bij hem weg en sindsdien verglijdt hij langzaam maar zeker. Hij kookt niet voor zichzelf en doet zijn afwas niet. Hij weet niet hoe hij de leegte in zijn huis en zijn leven moet opvullen. Maar gelukkig is er bier. Ja hij is alleen en hij weet het niet hoe dat te verhelpen, maar bier brengt troost. Als enige. Hij eet iets op zijn werk en maakt ’s avonds geen eten klaar, want hij heeft een afspraak met bier. Daarom staat de Ikea fauteuil al handig naast de koelkast.
Het geniale aan deze spot is natuurlijk dat ze een erg authentieke situatie in scene zet. Andere bierreclames tonen stoere mannen, of gemaakte gezelligheid. Deze toont de rauwe werkelijkheid. Voor veel mensen is er niets. Geen gezelligheid, geen raften of snowboarden. Maar er is wel bier. En dat is okay.
Het merk richt zich duidelijk op een bepaald publiek. Het heeft er medelijden mee, dat is zeker, maar het geeft ook aan dat het okay is om zo te leven. Dat is best slim en uniek: het zegt niet dat je bier met verstand moet drinken. Het zegt dat bier je troost zal bieden als iedereen je in steek heeft gelaten. Het is het beste medicijn dat de eenzaamheid dan misschien wel niet verhelpt, maar tijdelijk verlicht. Het is een vrijgeleide voor alcoholisme. Moedig van Brand.

maandag 13 juli 2015

Metromuzikanten fotograferen mag niet

Een curieus gewapende man houdt zich ’s ochtends op in metrostellen van de MIVB. Hij bespeelt een soort viool met een trompet als snuit. Samen met zijn partner in crime hopt hij van wagon naar wagon om daar de ochtendlijke reiziger met een eigen versie van Hava Naguila te terroriseren. Het geheel wordt verstrekt door een draagbaar geluidssysteem, en ondanks het feit dat Hava Naguila een joods feestlied is, schreeuwt de man er om onduidelijke redenen altijd luidkeels ‘Aïcha’ doorheen.

Ik moet waarschijnlijk niet erg hard mijn best doen om u er van te overtuigen dat dit mijzelf en het merendeel van de andere ochtendlijke reizigers danig op de zenuwen werkt. De MIVB verbiedt dan ook muzikanten in de metrostellen. Ik kon het deze ochtend niet laten een foto van de artiest in kwestie te nemen en deze naar de MIVB te tweeten.
De man liet zich mijn interesse niet welgevallen. Hij schold me voor veel dingen uit die ik wel zou willen herhalen, maar die ik helaas niet begreep. Nadat hij zijn tocht naar de volgende wagon verder zette, sprak een medereiziger me aan. Hij was evenzeer geërgerd door het feit dat zijn trommelvliezen meer beter verdienen, maar vroeg zich af of ik de mens’ portretrecht niet had geschonden. “Zijn advocaat mag altijd de mijne contacteren”, was mijn eerste reactie, maar dat is natuurlijk te gemakkelijk. Mijn eerste idee is dat wie zich op een publieke plaats in de aandacht werkt, naderhand niet moet komen klagen dat daar beelden van worden gemaakt. Anders is het natuurlijk wanneer ik een foto zou maken van iemand die in de file stiekem in zijn neus peutert: die zoekt het niet op.

Wanneer ik echter grasduin in de nuances van het portretrecht, leer ik dat ik wel degelijk het portretrecht van de mens in kwestie heb overtreden. Er bestaat dan wel iets als impliciete toestemming door straatmuzikanten, maar gezien het feit dat hij - weliswaar onbegrijpelijk - protesteerde, lijkt me dat ik daar geen aanspraak meer op kan maken.

Het is dus aan mij om de foto aan te passen, zodat het gezicht van de trompetviolist niet langer herkenbaar is. Regel is regel, maar gezien de mens zich zo openlijk aan het ochtendlijke openbaar vervoer opdringt, toch niet echt fair. Het is misschien het onderzoeken waard om het recht op ochtendrust boven het portretrecht van metromuzikanten te plaatsen.

donderdag 9 juli 2015

Mijn bescheiden bijdrage tot de mensenhandel

Ik was 19 jaar en ik trok naar Benin, voor een maand. In mijn herinnering bereidde ik me daar niet zo gek veel op voor. Internet bestond wel, maar daarvoor moest je met de trein naar Gent. Het beduimelde boekje dat ik over Benin in de bibliotheek van Brugge vond, leerde me dat Benin voornamelijk palmolie produceerde, een ex-kolonie van Frankrijk was en het bekendstond als de bakermat van de voodoo. Voodoo. Naar ingewanden van opengesneden geiten kijken en de toekomst voorspellen. Wist ik veel.

Ter plaatste logeerden we bij een gezin, dat in een huis woonde dat werd betaald door een Beninse dame die in Brugge in de prostitutie werkte. Ik kende haar niet zo goed, maar via de vriendin waarmee ik reisde konden we tegen een bescheiden vergoeding een maand bij hen logeren. Ik stelde me er allemaal weinig vragen bij. Zo ging het gewoon. Het gezin zou ons het land laten zien en dat moest ook wel, want wisten wij veel wat we daar gingen doen.

Daar aangekomen besefte ik al gauw dat de meeste dingen er volstrekt anders waren dan hier. Cotonou heeft niet zoiets als een stadscentrum met een kerk en een stadhuis en omwallingen zoals in Brugge. Er was geen postbedeling. Om te telefoneren moest je een kwartier wandelen (in Gent was er toen al internet, stel je voor) en toen ik ziek werd liet de dokter me de keuze om voor een Benins dagloon verpakte naalden te gebruiken, ofwel de goedkopere naalden die waarschijnlijk wel gesteriliseerd waren. Het gezin waar we bij verbleven was erg lief. We praatten slecht Frans met elkaar en deden dingen die zij gek vonden. We hadden het erg leuk, maakten uitstapjes, gingen lekker eten en dansen, zwommen in de zee en kochten souvenirs.

We maakten zoveel dingen mee, en er bleven geweldige anekdotes bij, maar misschien ontging ons net daarom zo veel. We wisten dan wel dat vanuit Ouidah duizenden slaven naar Brazilië werden verscheept, maar toen we een dagtripje naar het binnenland maakten om daar in een klein dorpje een 8-jarig meisje bij haar familie weg te halen, beseften we niet dat dit even goed mensenhandel was. Vanaf die dag werkte het meisje bij de familie: ze maalde maniok in een hutje achter het huis. We stonden er verder nauwelijks bij stil dat het zelfs huis waarin we logeerden even goed een zekere exponent van de wrede West-Afrikaanse geschiedenis was. Het was betaald met het lichaam van onze Beninse kennis, in de prostitutie in Europa. De geschiedenis trekt zich door. Slavernij maakt er deel uit van het dagelijkse leven.

Het besef rees dus langzaam dat wat we hadden gezien moderne slavernij was, maar ook dat we die mee in stand hielden. Niet bewust natuurlijk: wisten wij veel. Het feit echter dat we daar bleven logeren en geld betaalden aan het gezin, stelde hen misschien in staat om een jong meisje te kopen. Meegaan naar het dorp waar ze nooit blanken zagen, legitimeerde hen misschien tegenover de ouders van het meisje, zodat ze haar gewilliger naar de stad stuurden. Tegenover de kinderen van het gezin waar we bij verbleven en die enorm naar ons opkeken, bevestigden we onbewust dat het wel okay is om kinderen weg te kopen. En je te prostitueren in Europa.

Het lijkt misschien absurd om daar 16 jaar na de feiten veel woorden aan vuil te maken, maar boeken als El Negro en ik van Frank Westerman en De zwarte met het witte hart van Arthur Japin, confronteerden me recent met bepaalde elementen van een reis van lang geleden en zetten me aan daar wat mee te doen. Al was het maar er wat over schrijven.

vrijdag 7 november 2014

Wat doe jij in het leven?

“Wat doe jij in het leven?” vraagt Bart De Pauw aan Xavier (fictieve naam), een kandidaat in zijn programma 26 op één. “Ik ben beleggingsadviseur.” En wat houdt dat precies in? “Ik maak mensen met geld nog rijker.” - Hilariteit bij het publiek.

Dat mensen dit grappig vinden zegt iets over de manier waarop wij jobs waarderen. We hebben vaak meer respect hebben voor iemands titel dan voor wat zij of hij intrinsiek doet. Dit kunnen we zelf veranderen door aan gesprekspartners te vragen hoe ze bijdragen tot de samenleving, in plaats van te vragen naar hun sexy titel. Dat kan de zaken weer in een juister perspectief plaatsen én zorgen voor meer waardering voor echt belangrijke jobs.

Laten we de oefening maken voor Naima, Xavier en Chantal.
Als je aan Naima vraagt naar haar job, zal ze antwoorden dat ze administratief medewerker is in een ziekenhuis. Saai, nietwaar? No glamour, no glitter. Vraag je echter naar haar functie in de samenleving, zal ze iets antwoorden in de zin van: “Ik zorg er voor dat patiënten vlot worden geregistreerd en onthaald, zodat ze sneller hun behandeling kunnen starten.” Dat omschrijft juister wat ze doet en geeft haar (terecht) meer aanzien. Als vraagsteller geef je aan dat je het belangrijker vindt te weten wat je écht doet, dan wat op je naamkaartje staat.
Terug naar Xavier. Wat is jouw functie in de samenleving? “Ik maak rijke mensen nog rijker, Bart.” - Ongemakkelijke stilte. Ik beweer niet dat beleggingsadviseurs geen nuttig werk kunnen verrichten. Ik geloof wel dat ze beter zullen nadenken over de manier waarop ze invulling geven aan hun job, als ze naar hun functie in de samenleving worden gevraagd.
Chantal tenslotte, is werkloos. Als je haar vraagt wat haar job is, zal ze gegeneerd zeggen dat ze geen job heeft. “Awoert Chantal. Jij bent een vuile profiteur.” Wie informeert naar haar rol in de samenleving, krijgt te horen dat ze als alleenstaande moeder voor haar twee kinderen zorgt. Profiteert Chantal dan nog steeds van de samenleving? Lijkt me niet. Ze zorgt voor twee kinderen. Da’s best wat waard. Misschien wel meer dan rijke mensen rijker maken.
Samengevat: laten we mensen beoordelen op wat ze doen in en voor de samenleving en niet op basis van hun titel. We kunnen daar allemaal simpel toe bijdragen, gewoon door onze vraagstelling aan te passen.

zondag 15 juni 2014

De hydrochonder


(Dokter en Vanderzeiken zitten tegenover elkaar op scene vol slappe planten.)

- Dokter, het regent altijd op mij.
- Dat zit in je hoofd, Vanderzeiken.
- Hoe kan er nu regen in mijn hoofd zitten?
- Je bent een hydrochonder, Vanderzeiken. De imaginaire regen stapelt zich op in je hoofd.
- Is dat ernstig, Dokter?
- Nee, het heeft zelfs voordelen. Als je hoofd ontploft, dan krijgen de planten water.
- Is er een remedie tegen?
- Ik zal een acupunctuurkuur voorschrijven.

(Gigantische waterballon boven scène wordt doorprikt. Dokter, Vanderzeiken en planten worden nat. Ze blijven zitten en kijken beteuterd.)

zondag 27 april 2014

De grote kleine strijd


Ik heb het wat moeilijk met opmerkingen dat het flauw is om altijd scherp te reageren tegen ‘klein’ seksisme. Wie meent te moeten zeggen dat het flauw is te reageren tegen deze vorm van seksisme, geeft vrij expliciet aan dat de persoon die heeft gereageerd haar of zijn muil maar moet houden, waardoor de kans groter is dat die dat de volgende keer ook effectief zal doen. Geef je seksisten op die manier niet gewoon meer ruimte?

In een stuk in De Morgen lees ik dat speeksel moet worden gespaard voor de grotere strijd. Is dat echt zo? Is consequent reageren tegen zogenaamd klein seksisme niet gewoon een deel van diezelfde, grotere strijd? Wat als we de vergelijking maken met racisme? Ik stel me de vraag omdat ik ben geïntrigeerd door de bemerkingen dat we eigenlijk niet half beseffen hoe diepgeworteld racistisch deze samenleving is: dat we de gevolgen van het zogenaamde kleine racisme schromelijk onderschatten. Moet een bewuste weldenkenderd alleen reageren tegen, ik zeg maar wat, expliciete discriminatie op vlak van recrutering of geweldpleging? Of houdt het ook steek telkens consequent een punt te maken bij wat misschien al te vergoelijkend als licht racisme wordt afgedaan? Misschien beseffen we ook niet half hoe groot de impact van ‘klein’ seksisme is.

In de States lopen een aantal campagnes die zich richten tegen het banaal gebruik van uitdrukkingen als No Homo, That’s so gay, Be a man… Dit zijn allemaal uitdrukkingen die er deel uitmaken van het dagelijks vocabulair, net als scheldwoorden als ‘mietje’, ‘janet’ bij ons. En ja, iedereen gebruikt die wel eens, waarschijnlijk zonder er bij stil te staan dat deze een appreciatie van de seksuele geaardheid van mensen zijn. Telkens we deze woorden - hoe grappig ook bedoeld – gebruiken, geven we impliciet aan dat we vinden dat mannen en vrouwen zich op een bepaalde standaard manier moeten gedragen. Dan laten we eigenlijk uitschijnen dat we vinden dat mannen die dat niet doen, zich eigenlijk maar moeten aanpassen. Het lijkt me dus geen overdreven luxe om jongeren er zich bewust van te maken dat woorden en uitdrukkingen die ze als ‘normaal’ beschouwen daarom niet per definitie neutraal zijn en een grote indruk kunnen nalaten bij mensen die zich vragen stellen over hun identiteit.  

Ik denk niet dat we als een politieke correctheidspolitie continue elk woord en elke uitspraak moeten screenen, maar het lijkt me wel nuttig meer in te zetten op het bewustmaken van wat maar al te makkelijk ‘klein’ racisme en seksisme wordt genoemd. Reacties op dit klein racisme en seksisme af doen als ‘krachten liever sparen voor de grote strijd’, lijkt me dan weer erg nefast. ‘Klein’ racisme en seksisme de wereld uithelpen is een grote strijd.